Wijntermen
Als u regelmatig Italiaanse wijn drinkt, zullen woorden als ‘classico’ of ‘riserva’ u bekend in de oren klinken. Maar wat is bijvoorbeeld het verschil tussen ‘spumante’ en ‘frizzante’? Hierbij een lijstje, zodat u zich onder de kenners kunt scharen…
Abboccato/amabile: een milde, halfzoete wijn met 10-20 gram restsuiker per liter.
Amabile: zoetige wijn.
Asciutto: zie Secco.
Bianco: witte wijn.
Chiaretto: zie Vino rosato.
Classico: wijn die uit het hart van het productiegebied komt.
Dolce: zoete wijn.
Frizzante: parelende wijn die in tegenstelling tot de spumante zijn gistingsproces ondergaat in roestvrijstalen tanks. Hierdoor
bevat de wijn de helft aan koolzuurgas en is hij minder mousserend.
Liquoroso: zoete wijn met een minimum aan alcohol van 16% en een maximum van 22%, vooral geschikt als dessertwijn.
Metodo classico: kwaliteitsgarantie van mousserende wijnen die geproduceerd zijn volgens hetzelfde procédé als de champagne-wijnen
(voorheen Methode Champenoise genoemd). Zie Spumante.
Passito: wijn van druiven die op de wijnstok achtergebleven zijn om het suikergehalte te verhogen.
Profumato: gearomatiseerde wijn met een sterk bouquet.
Riserva: wijn met een officiële rijpingstijd, die niet verkocht mag worden vóór een vooraf bepaalde datum.
Rosato: rosé.
Secco: droge wijn.
Spumante: bruisende of mousserende wijn die gemaakt is op basis van een tweede gisting op fles. Dit zorgt voor een goede
ontwikkeling van aroma’s en houdt het koolzuurgas vast, waardoor een langdurige mousse in het glas verkregen wordt.
Superiore: wijn met een hogere alcoholische waarde dan het voorgeschreven minimum, wat soms duidt op een hogere kwaliteit.
Vino da tavola: alle wijn die niet binnen een van de andere categorieën valt. Tafelwijn wijst niet per definitie op een inferieure kwaliteit.
Vino novello: witte of rode primeurwijn met een verfijnde, frisse smaak en een laag alcoholgehalte (10-12%). Volgens de macération
carbonique-methode worden de druiven ongeperst in een roestvrijstalen kuip gestort, waaraan koolzuurgas wordt
toegevoegd. Hierna vindt er gisting binnenin de druif plaats. Dit levert een fruitige wijn op met relatief weinig tannines
die direct na botteling drinkbaar is, maar niet lang houdbaar.
Vin santo: wijn van halfingedroogde druiven die enkele maanden na het oogsten geperst zijn. Het is een zoete, goudgele wijn met
een hoog alcoholpercentage en een uitgebalanceerde zuurgraad.
Het juiste glaswerk voor ieder type wijn
Droge mousserende wijn :
een hoog glas of ‘flûte’ waardoor de mousse duidelijk zichtbaar is en deze zo lang mogelijk gevangen blijft in de wijn.
Zoete mousserende wijn:
in een brede lage kelk – ook wel bekend als ‘coppa’ – kan de wijn zijn volle aroma’s onmiddellijk prijsgeven.
Jonge witte wijn:
in een wat kleiner glas dan voor rode wijn gereserveerd, komen de frisse en delicate aroma’s en zuren het best tot hun recht.
Aromatische witte wijn:
een middelgroot rond glas, enigszins taps toelopend, houdt de aroma’s even vast.
Jonge rosé:
een klein iets toelopend glas komt het frisse aroma en de delicate smaak ten goede.
Rode wijn:
een groter glas dan voor de jonge witte wijnen, taps toelopend aan de bovenzijde, houdt het boeket in het glas.
Rijpe en op hout gelagerde rode wijnen:
in een breed bolvormig glas, ook wel ‘ballon’ genoemd, waarvan slechts de bodem wordt gevuld met wijn, kan de wijn goed ‘ademen’. Door het contact met zuurstof ontwikkelen de aroma’s zich in het glas en komt de complexe en rijke structuur van de wijnen het best tot uiting.
Dessert wijn:
In een hoog, cilindervormig glas komen de rijpe aroma’s en zoete smaak het best tot hun recht.